Niet verschijnen op een gesprek in het kader van de arbeidsverplichting heeft niet per definitie invloed op het recht op bijstand – Deel 2

In navolging op de blog over de uitspraak van de rechtbank van 16 september 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:5931 AMS 14-1574 en AMS 14-2221), verschijnt hierbij het vervolg naar aanleiding van de uitspraak in hoger beroep (CRvB, 17-02-2015, 14/5636 WWB, 15/169 WWB)

De Raad is van oordeel dat in onderhavig geval, waarin betrokkene wordt tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde medewerkingsverplichting, appellant niet staande kan houden dat hij door dit verzuim het recht op bijstand niet kan vaststellen.

Zoals de rechtbank volgens de Raad terecht heeft vastgesteld, blijkt uit de memorie van toelichting bij de aanvulling in artikel 17, tweede lid, van de WWB dat de wetgever onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad heeft beoogd te verduidelijken dat het meewerken aan een oproep in het kader van de arbeidsinschakeling wel onder de medewerkingsverplichting van artikel 17, tweede lid, van de WWB valt en dus ook onder de reikwijdte van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Verder is in de Toelichting vermeld dat deze medewerkingsverplichting geen overlap vertoont met de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB opgenomen verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de arbeidsinschakeling. Bij de laatstgenoemde verplichting staat het recht op bijstand namelijk vast en is bij het niet nakomen daarvan het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de WWB van toepassing, terwijl bij de eerstgenoemde verplichting, de medewerkingsverplichting, zoals bedoeld in het per 1 juli 2013 aangepaste artikel 17, tweede lid, van de WWB, het recht op bijstand niet vaststaat. Bij niet-nakoming van deze verplichting is opschorting en intrekking met toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB dan ook wel aan de orde.

Dat de per 1 juli 2013 gerealiseerde aanpassing van artikel 17, tweede lid, van de WWB slechts een verduidelijking betreft – en dus niet een uitbreiding valt op te maken uit het feit dat de wetgever geen aanleiding heeft gezien artikel 54 aan te passen én, zoals blijkt uit de Toelichting, uitdrukkelijk heeft willen vasthouden aan het uitgangspunt dat de toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB eerst aan de orde is indien het niet nakomen van de inlichtingenverplichting en/of de medewerkingsverplichting van invloed is op het vaststellen van het recht op bijstand. Daarmee is gegeven dat de systematiek ten aanzien van het opschorten en intrekken van de bijstand met toepassing van artikel 54, eerste en vierde lid, van de 13 WWB op en na 1 juli 2013 ongewijzigd is gebleven
Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat in het voorliggende geval, waarin betrokkene louter wordt tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde medewerkingsverplichting, appellant niet staande kan houden dat hij door dit verzuim het recht op bijstand niet kan vaststellen. (…) De Raad komt dan ook met de rechtbank tot het oordeel dat appellant niet bevoegd was om de bijstand van betrokkene met toepassing van de artikelen 54, eerste en vierde lid, van de WWB op te schorten respectievelijk daaropvolgend in te trekken. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.